
Wet op de Watersnoodschade 1953
Artikel 48
1
Indien na het ontstaan van de schade een rechtsopvolging heeft plaats gevonden, welke gevolgen heeft voor de beslissing, wie rechthebbende is, kan geen recht, als bedoeld in artikel 12, lid 3, of artikel 13, lid 2, ten aanzien van het pand, waarop de bijdrage betrekking heeft, geldend worden gemaakt, tenzij de rechtsopvolging plaats had aan de overblijvende echtgenoot of bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, dan wel stief- of pleegkinderen. Heeft rechtsopvolging onder bijzondere titel plaats gehad, dan geschiedt de uitbetaling van de bijdrage slechts nadat een regeling is getroffen met de zakelijk gerechtigden, bedoeld in artikel 36, lid 1, en met de hypothecaire schuldeisers, bedoeld in artikel 38, lid 1. Het bepaalde in dit lid is van overeenkomstige toepassing, wanneer een onherroepelijke volmacht tot inning van de bijdrage is gegeven.
2
De aanspraak op herstel in natura, als bedoeld in artikel 9, lid 1, volgt het betrokken goed in geval van rechtsovergang daarvan.
3
Het recht op de bijdrage ingevolge deze wet is een ondeelbare zaak.
4
De betekening, bedoeld in artikel 668 en de kennisgeving, bedoeld in artikel 1199 van het Burgerlijk Wetboek, worden vervangen door de inlevering van een authentiek afschrift of uittreksel of een exemplaar van de akte van overdracht of verpanding bij het orgaan, hetwelk met de uitbetaling is belast. Gelijke inlevering dient te geschieden met betrekking tot onherroepelijke volmachten en scheidingen en delingen.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.